Langzaam weer terug naar het oude normaal, voorzichtig uiteraard, maar toch. Misschien houden we ook goede dingen over aan de afgelopen drie maanden, maar ik houd mijn hart vast voor de wereldwijde ontwikkelingen en de onzekerheid: wat brengt volgend jaar? Komt er een vaccin en zijn we goed voorbereid op andere virussen? Mijn column lost niets op, dus over tot de orde van de dag:
Deze week las ik een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden (ja, dat is samengevoegd) over de man die drie jaar getrouwd is geweest en in die jaren zijn vrouw duidelijk geen “hulp, getrouwheid en bijstand” heeft gegeven. Dat zijn de huwelijkse plichten die in de wet staan, jawel dames en heren daar bent u toe verplicht als u getrouwd bent of een geregistreerd partnerschap bent aangegaan. Kort gezegd heeft hij “zijn wil doorgezet om met de vrouw in algehele gemeenschap van goederen te trouwen, grote geldbedragen van zijn vrouw weggesluisd en verstopt, zijn vrouw langdurig vergiftigd en uiteindelijk vermoord na een vreselijke en pijnlijke lijdensweg door de vergiftigingen, en na haar dood onmiddellijk de beschikking over haar vermogen opgeëist“. He t Hof heeft op 19 mei 2020 geoordeeld dat “een grotere schending van de persoonlijke belangen van de vrouw en zijn huwelijkse plichten niet denkbaar is“.
Dat moge duidelijk zijn, alhoewel de procedures van de man tegen het beslag, dat de familie van zijn vrouw op haar vermogen heeft gelegd waardoor hij daar niet bij kom, al negen jaar duren. Net als de Rechtbank heeft het Hof nu geoordeeld dat haar erfgenamen recht hebben op haar hele vermogen, en dus niet alleen op haar helft door de werking van de algehele gemeenschap van goederen, die gold in 2008 toen ze trouwden. De andere helft zou dan namelijk van de man zijn door die werking.
Is haar echtgenoot dan niet haar enige erfgenaam, zou een terechte vraag van u kunnen zijn. Nee, dat is bij de wetswijziging van 2003 in het erfrecht gewijzigd. In artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek is sindsdien opgenomen, dat iemand, die onherroepelijk veroordeeld is voor moord op degene, waar diegene van erft, onwaardig is om te erven. Deze man is inderdaad onvoorwaardelijk veroordeeld voor moord, en daardoor dus geen erfgenaam van zijn vrouw. Daar is geen rechter meer voor nodig (voor 2003 was dit nog wel zo). Omdat er geen kinderen zijn, is haar vermogen vervolgens geërfd door haar familie, te weten haar ouders, broers en zusters, ieder voor een gelijk deel in dit geval.
Weliswaar was de man dus geen erfgenaam, maar wel wettelijk eigenaar van de helft van het huwelijksvermogen. Daarom hadden de erfgenamen beslag laten leggen op haar hele vermogen. Daartegen heeft de moordenaar vervolgens bij de rechtbank een procedure aangespannen en hebben de erfgenamen verweer gevoerd, zodat ook die helft niet aan hem toekwam. In het Burgerlijk Wetboek is namelijk niet geregeld, dat de onvoorwaardelijk veroordeelde moordenaar geen recht heeft op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarom moest de rechter teruggrijpen op de huwelijkse plichten. Dat werkt wel goed maar vergt een lange rechtsgang.
Geruststellend vind ik het wat dit soort zaken betreft, dat bij huwelijken vanaf 2018 wettelijk de beperkte gemeenschap van goederen geldt. Alles wat iemand alleen bezat voor het huwelijk, blijft van diegene. Alleen wat men samen bezat voor het huwelijk en hetgeen men tijdens het huwelijk aanschaft, is automatisch gemeenschappelijk. Dat had in bovengemelde zaak de man geen rechten gegeven. Hij bezat namelijk bijna niets toen hij trouwde en zijn echtgenote had een groot vermogen. Maar dat had u natuurlijk al begrepen.
Heeft u vragen, bel ons dan even. Het inloopspreekuur hebben we tijdelijk afgeschaft, maar u kunt wel een vrijblijvende afspraak maken om kort uw vragen te stellen via 053 – 53 83 777.