Huwelijksvermogensrecht
De juridische wereld is altijd in beweging. De mens handelt en daarbij is altijd wel iets juridisch aan de hand. Soms heeft een mens zo goed gehandeld, dat er een behoorlijk vermogen is opgebouwd. Lastig is dan, dat het hebben van veel geld ook veel zorgen met zich meebrengt. Ook is het geen garantie voor geluk, zoals we uit de recente berichten over de twee rijkste mannen van deze aardbol kunnen vernemen. Alhoewel het scheiden van elkaar niet altijd een ongelukkige move is, het kan iemand ook gelukkig maken. Maar zo goed ken ik de heren niet om te weten hoe dit bij hen zit.
Al sinds 1959 is er een steeds terugkomende discussie gaande tussen de belastingdienst en de burger, gevoerd via juridische procedures over het
volgende punt:Is het een schenking, als men in gemeenschap van goederen trouwt, dan wel in huwelijkse voorwaarden regelt dat bijvoorbeeld een bepaalde
bankrekening altijd gemeenschappelijk is, en bijvoorbeeld op die bankrekening
in diezelfde periode veel geld gestort is?
Dit was namelijk het geval bij een man en vrouw, laten we ze Jasper en Jolanda noemen, die in 2018 getrouwd zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden, waarin was bepaald dat elke gemeenschap van goederen was uitgesloten, doch met uitzondering van een specifieke bank- en effectenrekening ten name van Jasper en/of Jolanda inclusief de schulden van deze rekening. In diezelfde periode had Jasper tien miljoen euro overgemaakt naar die rekening. De belastinginspecteur legde Jolanda een navorderingsaanslag schenkbelasting op voor een schenking van vijf miljoen euro. In hoger beroep tegen deze aanslag was er volgens het Hof geen sprake van een schenking.
Bij uitspraak van 7 mei 2021 heeft de Hoge Raad dit bevestigd. Op 28 januari 1959 had de Hoge Raad het volgende geoordeeld: het aangaan
van een algehele gemeenschap van goederen tussen gehuwden heeft niet tot gevolg dat er een eenzijdige vermogensverschuiving plaatsvindt, die kenmerkend is voor de schenking. Het geld moet van de een naar de ander gaan, zonder dat de schenker daar nog iets van in het vermogen achterhoudt. De Successiewet (1956) sluit daarbij aan, zodat er alleen schenkbelasting verschuldigd is als er een schenking heeft plaatsgevonden, die aan die kwalificaties voldoet die het civiele recht daaraan stelt.
Verder is van belang dat de Hoge Raad destijds al stelde, “dat de huwelijksgemeenschap gedurende haar bestaan allerlei baten en lasten van
beide echtgenoten binnen ziet komen en eruit ziet gaan, waarvan het resultaat
pas bij het einde van de huwelijksgemeenschap kan worden vastgesteld.”
Bij Jasper en Jolanda was er echter maar één vermogensbestanddeel gemeenschappelijk, zodat de inspecteur hier wel een schenking aannemelijk
vond. Maar de rechter zag dat anders: door deze bankrekening gemeenschappelijk te verklaren in de huwelijkse voorwaarden “gaf een
aan ieder van de echtgenoten toekomende vordering op de bank ten aanzien
van het hele saldo van de bankrekening, welk saldo gedurende het bestaan van de huwelijksgemeenschap kon wijzigen.”
Er was geen afzonderlijk recht van Jolanda op de helft van deze bankrekening, met andere woorden Jasper had de tien miljoen weer van de bankrekening kunnen halen, zonder dat Jolanda daar tijdens het huwelijk aanspraak op had kunnen maken. Daardoor kon de inspecteur niet aantonen dat Jolanda bij het aangaan van het huwelijk ten laste van Jasper was verrijkt met een bedrag, gelijk aan de helft van het op dat moment op de bankrekening staande saldo. Waren ze kort daarna weer gescheiden, dan had dit derhalve anders kunnen liggen. Maar ze zijn nog bij elkaar, voor zover ik weet.